50 jaar OCMW: tien redenen waarom er weinig te vieren valt
Op 8 juli 2026 bestaan de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn 50 jaar. Precies een halve eeuw geleden werd de Organieke Wet betreffende de OCMW’s aangenomen. Die wet wil via maatschappelijke dienstverlening “ieder persoon in staat stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid”. Die nadruk op menselijke waardigheid maakt onze OCMW-wet uniek in de wereld.
Toch is er op deze verjaardag weinig reden tot feest. Wat ooit bedoeld was als het laatste vangnet van onze sociale bescherming, staat vandaag onder druk. Door opeenvolgende beleidskeuzes worden de mazen van dat net steeds groter, en krijgen de OCMW’s het moeilijker om die menselijke waardigheid te garanderen. Onze politici handelen steeds vaker vanuit wantrouwen, zowel tegenover OCMW-gerechtigden als tegenover maatschappelijk werkers.
De Coalitie voor een Humaan OCMW-beleid hoopt dat politici de komende vijftig jaar eindelijk de geest van de OCMW-wet volledig durven waarmaken. Dat is niet alleen goed voor mensen in armoede, maar voor de samenleving als geheel. Want de rekening van armoede – onder de vorm van slechtere gezondheid, lagere onderwijskansen, problematische schulden … – ligt veel hoger dan de kostprijs van haar bestrijding.
We lijsten 10 redenen op waarom 8 juli 2026 geen feestelijke verjaardag is:
1. Het recht op maatschappelijke integratie (RMI) wordt steeds meer uitgehold Het leefloon ligt nog steeds onder de Europese armoedegrens en alzo te laag om een menswaardig bestaan te garanderen. Het leefloon voor een koppel met kinderen, bijvoorbeeld, bereikt amper 70 procent van de Europese armoedegrens komt. Ethisch is dat natuurlijk onaanvaardbaar, maar ook arbeidsmarktgericht is dit zeer kortzichtig beleid. Als je mensen de middelen ontzegt om in zichzelf te investeren, zal het enkel moeilijk worden om hen naar duurzaam werk toe te leiden. De nood aan een sterk RMI neemt nochtans toe. Bij de oprichting van de OCMW's in 1976 ontvingen minder dan 10.000 mensen een bestaansminimum; vandaag zijn meer dan 280.000 mensen afhankelijk van een leefloon of een gelijkwaardige sociale uitkering, onder wie ruim 93.000 jongeren [1]. Daarbovenop blijven veel mensen die hun rechten niet opnemen buiten de statistieken. Bovendien dreigen recente maatregelen de situatie verder te verslechteren. Zo heeft de huidige inkrimping van de welvaartsenveloppe een rechtstreeks negatief effect op de welvaartsvastheid van het leefloon. Bovendien zorgt de nieuwe berekeningswijze van het leefloon van samenwonende personen voor nefaste gevolgen. Met name het leefloon van alleenstaande ouders, studenten en mantelzorgers dreigt flink te dalen. Ook blijft het statuut samenwonende de familiale solidariteit ondermijnen en bemoeilijk het alternatieve woonvormen die de wooncrisis mee kunnen bestrijden. Tenslotte is er nog het afstoten en privatiseren van lokale publieke diensten, zoals ziekenhuizen, crèches, sociale restaurants … Dit ontneemt OCMW’s de broodnodige instrumenten om een betaalbare en sociale dienstverlening te organiseren.
2. De non-take-up van het leefloon blijft torenhoog Wetenschappelijk onderzoek geeft aan dat 43 tot 46 procent [2] van de mensen die op een gegeven ogenblik recht hebben op het leefloon dat toch niet aanvragen. Non‑take‑up van het leefloon is geen individueel probleem, maar een systeemprobleem door de combinatie van ingewikkelde regels, administratieve drempels, persoonlijke en psychologische barrières en een moeilijke maatschappelijke context. Bij niet-opname van het leefloon verliezen mensen meteen ook hun sociale rechten zoals bijvoorbeeld het recht op verhoogde tegemoetkoming of de maximumfactuur die hen moet beschermen tegen hoge medische kosten bij de dokter, het ziekenhuis en de apotheker. Naast het recht op sociale tarieven voor energie, waterfactuur en telecom gaan ook rechten op dienstverlening verloren, zoals voedselhulp, budgetbegeleiding en sociale huisvesting.
3. Eerst een sterke sociale zekerheid We dragen allemaal solidair bij aan de sociale zekerheid. Bij pech kan je gebruik maken van onder meer de werkloosheidsverzekering en de ziekteverzekering. Dit is een recht. OCMW’s komen tussen wanneer deze beschermingsmechanismen tekort schieten. Bij de oprichting van de OCMW’s in 1976 ontvingen minder dan 10 000 mensen een leefloon. Vandaag zijn dat er meer dan 200 000 [3]. De besparingen en verstrengingen maken dat steeds meer mensen geen recht meer hebben op het systeem van sociale zekerheid. Je meet een goed functionerende samenleving niet aan de kwaliteit van het laatste vangnet, maar aan het vermogen om mensen te voorkomen dat mensen een beroep moeten doen op het laatste vangnet. Door de grote gaten in het vangnet is het OCMW geen armoedebestrijder. Een grote groep mensen wordt steeds verder weggeduwd uit de samenleving.
4. Stijgende voorwaardelijkheid bemoeilijkt de hulpverlening Er worden steeds meer en strengere federale én lokale voorwaarden opgelegd aan wie hulp vraagt aan het OCMW. Dat gaat van een strikte invulling van de arbeidsbereidheid over verplichte trajecten bij verslavingsproblematiek tot onrealistische taaleisen. Bij het leefloon worden deze voorwaarden verankerd via het GPMI. Dat zogenoemde contract tussen OCMW en uitkeringsgerechtigde zou de wederzijdse engagementen moeten vastleggen en rekening houden met de mogelijkheden en noden van de gebruiker. In de praktijk is er echter sprake van een fundamenteel machtsonevenwicht: wie niet tekent, riskeert immers geen inkomen. Het GPMI wordt voorgesteld als een begeleidingstool, maar is verworden tot een controle- en sanctie-instrument dat de ziel van het sociaal werk en de broodnodige vertrouwensrelatie ondergraaft. Ook wie andere financiële steun dan het leefloon aanvraagt, botst vaak op een muur van steeds strengere (berekenings-) voorwaarden. Ook louter administratieve opdrachten, zoals het toekennen van een referentieadres, worden in de praktijk vaak onnodig geproblematiseerd en gekoppeld aan bijkomende voorwaarden of uitgebreide procedures, terwijl daarvoor geen wettelijke noodzaak bestaat.
5. Uitsluiting van buitenlanders en voorwaarden voor sociale bijstand ter bevordering van integratie Er staan wetswijzigingen op stapel die de sociale bijstand een onderscheid willen maken op basis van nationaliteit en verblijfsstatus. Nieuwkomers zullen zo gedurende de eerste vijf jaar van hun legaal verblijf in België worden uitgesloten van sociale bijstand. Personen die internationale bescherming genieten maar “onvoldoende inspanningen” zouden leveren om te integreren, zullen een verminderde sociale bijstand ontvangen. De aanstaande hervormingen creëren een samenleving van A- en B-burgers, waarin nieuwkomers beschouwd worden als een subcategorie van mensen die zelfs met een verblijfsvergunning geen aanspraak meer zouden kunnen maken op een leven in overeenstemming met de menselijke waardigheid.
Bovendien zullen deze hervormingen het integratieproces van nieuwkomers bemoeilijken: de hulp van het OCMW is immers vaak net dat duwtje in de rug dat zij nodig hebben om zich bijvoorbeeld volledig op de arbeidsmarkt te kunnen integreren.
Mensen zonder wettig verblijf zijn al heel lang uitgesloten van sociale bescherming. Zij hebben enkel een zeer beperkte toegang tot gezondheidszorg via het OCMW-systeem van de Dringende Medische Hulp. Dit systeem met hoge drempels produceert in hoge mate gezondheidsongelijkheid met nefaste gevolgen voor de gerechtigden en ernstige risico’s voor de volksgezondheid.
6. Klemtoon verschuift van menselijke waardigheid naar activering Besparingen in de sociale zekerheid, zoals de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd, schuiven steeds meer verantwoordelijkheid door naar de OCMW’s en de lokale besturen die hen financieren. Tegelijk dwingt het bonus-malussysteem, dat OCMW’s die mensen activeert financieel beloont en andere bestraft, lokale besturen om mensen zo snel mogelijk naar werk te leiden. Zo verschuift de opdracht van het OCMW fundamenteel: van een instelling die het recht op menselijke waardigheid waarborgt naar een instrument van arbeidsmarktbeleid.
7. OCMW-hulp verschilt per gemeente Er bestaan grote verschillen in de manier waarop OCMW’s het recht op een menswaardig leven invullen. Sommige steden en gemeenten hanteren een emancipatorische benadering en geven mensen de tijd en ondersteuning om opnieuw hun plaats in de samenleving te vinden. Andere leggen de nadruk op snelle activering en sturen mensen zo snel mogelijk richting arbeidsmarkt. Of we zien hoe sommige OCMW’s zich al te gemakkelijk ‘territoriaal onbevoegd verklaren’ en soms op basis van onwettige argumenten hulpvragers doorsturen naar een andere gemeente. We zien dit pingpong-fenomeen tussen gemeenten niet enkel opduiken bij leefloonaanvragen, ook mensen in dak- en thuisloosheid die een referentie-adres aanvragen vangen vaak bot.
Hierdoor hangt de toegang tot rechten en ondersteuning nog te vaak af van de gemeente waar iemand woont. Die rechtsongelijkheid heeft ook een financiële oorzaak. Gemeenten met de grootste armoedeproblemen beschikken vaak over de kleinste budgettaire draagkracht, terwijl meer welvarende gemeenten minder sociale noden kennen. Op federaal niveau zijn op korte tijd meerdere systemen afgeschaft die lokale OCMW’s ondersteunen om lokale armoede te bestrijden en financiële steun te verlenen aan behoeftige mensen. Door de drooglegging van deze federale ondersteuning, dreigen vooral de armere gemeenten binnenkort niet meer in de mogelijkheid te zijn om vitale noden, zoals tussenkomsten in huishuur of medische kosten, te lenigen.
8. Te hoge werkdruk bij maatschappelijk werkers Uit bevragingen bij OCMW-medewerkers [4] blijkt dat de werklast structureel te hoog ligt, met maar liefst 86 procent geeft aan te zwaar belast te zijn. Bijna één op vier spreekt zelfs van een onhoudbare situatie. Daarnaast meldt 63 procent dat er openstaande vacatures zijn voor maatschappelijk werkers, dossierbeheerders of trajectbegeleiders, terwijl 15,8 procent aangeeft dat er nood is aan extra personeel maar daar geen budget voor beschikbaar is. 89 procent maakt zich bovendien zorgen over de verdere toename van de werkdruk wat meer ziekte-uitval en burn-outs met zich mee zou brengen. Hierdoor komen de diensten nog verder onder druk te staan. Deze werkdruk en onderbestaffing leidt er vaak toe dat gebruikersrechten geschonden worden en dat de continuïteit van de hulpverlening niet kan geboden worden. Mensen moeten te lang wachten op een eerste afspraak, hulpaanvragen gaan verloren of worden niet tijdig beantwoord, mensen worden zonder sociaal onderzoek afgewezen, hulpvragers moeten hun verhaal steeds opnieuw brengen naar aanleiding van personeelswissels …
9. De vertrouwensband tussen OCMW-gerechtigde en maatschappelijk werker staat onder druk In het begeleidingstraject is de vertrouwensrelatie tussen OCMW-gerechtigde en maatschappelijk werker essentieel. Toch komt die relatie steeds meer onder spanning te staan door een reeks beleidswijzigingen. De toenemende voorwaarden die aan OCMW-steun worden gekoppeld, verschuiven de rol van maatschappelijk werkers geleidelijk van begeleider naar controleur. Daarnaast wordt hun beroepsgeheim steeds verder ingeperkt en nemen meldingsplichten toe. Recente beleidsmaatregelen en voorstellen leggen onder het mom van fraudebestrijding een doorgeschoten nadruk op controle en sanctionering. Hierbij ondergraven de beperkingen bij het inroepen van billijkheidsredenen de discretionaire ruimte van de maatschappelijk assistent. Niet alleen miskent dit de professie van het sociaal werk, het zorgt er ook voor dat het steeds moeilijker om een relatie van vertrouwen op te bouwen.
10. Onmacht leidt tot agressie Door de afbrokkeling van de sociale zekerheid en de sociale bijstand en door de schendingen van de gebruikersrechten, neemt de radeloosheid van veel kwetsbare mensen toe. Die context vertaalt zich in oplopende spanningen aan het OCMW-loket. Maatschappelijk werkers worden steeds vaker geconfronteerd met de moeilijke taak om slecht nieuws te brengen. Bijna de helft van de OCMW-medewerkers geeft aan maandelijks met verbale of fysieke agressie geconfronteerd te worden, en 88 procent verwacht dat dit verder zal toenemen. Maatschappelijk werkers geven aan dat het daarbij vooral om uitingen van frustratie en onmacht gaat, vaak in situaties waarin mensen al herhaaldelijk zijn doorverwezen en vastlopen in het systeem. Ook psychische problemen worden in dit verband regelmatig als oorzaak genoemd.
[1] Cijfers uit de barometer voor maatschappelijke integratie
[2] Cfr TAKE: Reducing poverty through improving the take up of social policies. Final Report. (2022) BELSPO en Studie over non-take-up van het leefloon en afgeleide rechten. (2024) POD Maatschappelijke Integratie
[3] Cijfers van de POD Maatschappelijke integratie van juni 2026 betreffende het aantal personen met (equivalent) leefloon
[4] Enquête Vlaams ABVV en ACOD (2025)
Deze analyse gaat uit van de Coalitie Humaan OCMW-beleid, met als leden: Acod Lokale en Regionale besturen, ACOD-LRB Brussel, Belgisch Netwerk Armoedebestrijding – BAPN, CBCS, CIRÉ, Comité de Vigilance en Travail Social, CGSP-ALR Bruxelles, De Link, Federatie van Vlaamse OCMW-Maatschappelijk Werkers, Fédération des Services Sociaux, Gemeenschappelijk Daklozenfront, Ligue des droits humains, Réseau Wallon de Lutte contre la Pauvreté, SAAMO, SAM - Steunpunt Mens en Samenleving, Transit asbl, Vlaams ABVV, Vluchtelingenwerk Vlaanderen